2. De Bremer Stadsmuzikanten

Er was eens een man die een ezel had. De ezel had jarenlang voor de man zware zakken met meel naar de molen gebracht, maar hij werd moe. De man wist dit en wilde een nieuwe ezel nemen en deze op eten. De oude ezel voelde het aan en liep weg. Hij ging naar Bremen want, dacht hij, daar kon hij wel stadsmuzikant worden. Dat wilde hij altijd al doen.

Op zijn weg naar Bremen zag hij aan de kant van de weg een hond liggen. De hond was helemaal buiten adem. ‘Wat is er aan de hand?’, vroeg de ezel. ‘Och’, zei de hond, ‘Ik ben al oud. Ik kan niet meer zo hard rennen. Als ik dan met mijn baas mee moet op jacht, kan ik niks meer vangen. Toen wilde hij me doodslaan, want hij had toch niks aan me. Toen ben ik zo hard als mijn oude benen nog konden weggerend. Maar ja, wat moet ik nu? Waar moet ik van eten en waar moet ik slapen?’ ‘Ga met mij mee’, zei de ezel enthousiast. ‘Ik ga naar Bremen om stadsmuzikant te worden. Ik speel de fluit en jij kunt drum spelen!’ Dat leek de hond wel wat en samen gingen ze verder.

Ze waren nog maar net op weg of er zat een kat op de weg. ‘Poezebeest, wat zit jij daar alleen.’ ‘Ja, ik ben gevlucht en weet niet waar ik heen moet. Omdat ik oud word zit ik liever voor de kachel te spinnen in plaats van muizen te vangen. Mijn bazin wilde me verdrinken en ik ben gevlucht.’ ‘Ga met ons mee kat’, zeiden de hond en de ezel. ‘Wij gaan naar Bremen en worden stadsmuzikant. Je kunt ook bij onze band komen!’ En vanaf toen bestond de band al uit drie leden, de oude ezel, de oude hond en de oude kat.

Toen de drie langs een oude boerderij liepen, hoorden ze een hels gekraai. ‘Hé haan, wat is er toch, moet je echt zo hard schreeuwen?’ riepen de dieren. ‘Ik heb vele keren de boer en zijn vrouw op tijd wakker gemaakt. Nu willen ze morgen soep van me maken!’ zei de luid kraaiende haan. ‘Ga met ons mee, vluchten is beter dan de dood’, zei de ezel. ‘Wij zijn op weg naar Bremen en worden stadsmuzikanten. Je hebt een mooie, maar harde, stem. Als je belooft iets minder te schreeuwen, kun jij onze zanger worden!’ Natuurlijk ging de haan mee.

Het was een lange tocht naar Bremen. Toen de avond viel, waren ze er nog niet. Ze waren in een groot bos en besloten daar te overnachten. De ezel ging tegen een boom zitten. De hond lag lekker tegen de ezel aan. De kat sprong op een lage tak en de haan ging helemaal in het topje van een boom zitten. Dat vond hij het veiligst. Hij keek eens rond het hele bos en zag ineens in de verte een lichtje branden. ‘Hé!’, riep de haan naar beneden, ‘ik zie licht. Dat moet een huis zijn. Laten we daar nog naar toe lopen. Het is vast veiliger en warmer dan hier. Misschien is er zelfs wat te eten!’ De ezel, de hond en de kat vonden het een heel goed idee. Dus liepen ze nog verder het bos in.

Bij het huis aangekomen, keek de haan door het raam. ‘Wat zie je?’ vroeg de kat. ‘Ik zie een haardvuur en een overvolle tafel, met allemaal eten! Ik zie ook rovers, heel veel rovers’, antwoordde de haan. Ze waren bij een groot rovershuis terecht gekomen.
De dieren wilden heel graag naar binnen want ze hadden het koud en hadden honger. Ze bedachten een plan om de rovers weg te jagen. De ezel ging met zijn poten op het raamkozijn staan. De hond stond op de rug van de ezel. De kat stond bovenop de hond en helemaal bovenaan stond de haan. Op het teken van de ezel begonnen ze allemaal hun geluid te maken. De ezel balkte, de hond blaft, de kat miauwde en de haan kraaide. Toen stortten ze zich door het venster. De rovers schrokken heel erg en dachten zelfs dat er een spook op hen afkwam. In paniek renden ze het huis uit het bos in. De ezel, de hond, de kat en de haan gingen aan tafel zitten en aten hun buikjes rond. Toen gingen ze slapen, want ze waren heel erg moe van de lange reis. Ze zochten allemaal een geschikte slaapplaats. De ezel ging liggen in het zachte stro. De hond vond een plekje achter de deur. De kat ging liggen in het warme as van de haard. De kraai ging op een van de balken vlak boven het dak zitten. Toen deden ze het licht uit.
De rovers in het bos zagen dat het licht uit was. De roverhoofdman zei: ‘Het was laf van ons om ons zo weg te laten jagen!’ en hij beval een van zijn rovers om een kijkje te gaan nemen in het huis. De rover die het huis binnen ging, kwam in een stille donkere kamer. Hij pakte een lucifer die hij wilde aansteken in de nog smeulende as van de haard. De kat werd daar wakker van. Hij vloog hem in het gezicht en krabde hem. De rover schrok en wilde vluchten door de achterdeur. Daar lag de hond. De rover stapte bovenop hem. De hond schrok en beet de rover in zijn benen. Toen rende de rover langs het stro en kreeg een trap van de ezel. De haan was wakker geworden van al dat kabaal en schreeuwde luid vanaf zijn hoge plek.

De rover rende heel hard weer terug naar de roverhoofdman. Hij zei: ‘Het huis is ingenomen door een heks! Ze krabde me met haar harde vingers. Bij de deur stond een man die me in mijn been stak met zijn mes. Bij het hooi zit een groot zwart ondier dat me sloeg met zijn knuppel en op het dak zit een man die roept ‘hier met de schurk! Natuurlijk rende ik zo snel mogelijk weg!’ De rovers durfden niet terug te gaan naar het huis. Ze bleven in het bos.
De stadsmuzikanten vonden het zo fijn in het huis dat ze besloten er te blijven. Men zegt dat ze er nu nog wonen en alle mensen die binnen willen komen wegjagen.

Reageer